ECLI:NL:GHAMS:2021:349

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
11 februari 2021
Zaaknummer
200.284.053/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 1:441 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in huurzaak onder beschermingsbewind

Appellante kwam in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter waarin een huurovereenkomst werd ontbonden en ontruiming van de woning werd bevolen. De woning was verhuurd aan appellante, die onder beschermingsbewind staat en vertegenwoordigd wordt door een bewindvoerder, Humanitas.

De kernvraag was of appellante zelf in hoger beroep kan optreden, terwijl de bewindvoerder in eerste aanleg formele procespartij was. Het hof overweegt dat tijdens bewind het beheer en de beschikking over de goederen bij de bewindvoerder liggen, die ook formeel procespartij is in procedures over die goederen. De huurrechten vallen onder de goederen in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW Pro.

Omdat de bewindvoerder geen hoger beroep instelde, kan appellante dit niet alsnog doen. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Een verzoek om de beschermingsbewindvoerder alsnog op te roepen wordt afgewezen. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat de bewindvoerder als formele procespartij moet optreden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.284.053/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 8476326 \ CV EXPL 20-3560
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 februari 2021
inzake
[appellante],
wonend te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
STICHTING WONINGBEDRIJF VELSEN,
gevestigd te IJmuiden,
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 24 september 2020 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 5 augustus 2020 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen geïntimeerde als eiseres en de Stichting Humanitas Inkomensbeheer (hierna: Humanitas), in de hoedanigheid van bewindvoerder van appellante, als gedaagde.
Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 27 oktober 2020.
Op diezelfde roldatum is tegen geïntimeerde verstek verleend.
Bij rolbeslissing van 29 oktober 2020 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 3 november 2020 bij akte uit te laten over haar ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde, indien deze zich zou stellen, bij akte zou mogen reageren.
Appellante heeft op 3 november 2020 een akte als hiervoor bedoeld, met een bijlage, genomen.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Bij beschikking tot onderbewindstelling van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2013 zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan appellante, onder bewind gesteld, met benoeming van Humanitas tot bewindvoerder. Met ingang van 3 oktober 2018 heeft geïntimeerde de woning aan het [adres] (hierna: de woning) aan appellante verhuurd. Geïntimeerde heeft Humanitas, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van appellante, gedagvaard voor de kantonrechter. Nadat Humanitas tegen de door geïntimeerde ingestelde vordering verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis genoemde huurovereenkomst ontbonden, Humanitas, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van appellante, veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat appellante de woning zal ontruimen, Humanitas veroordeeld in de (na)kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Appellante is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.
2.2.
Thans dient de vraag te worden beantwoord of appellante in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Bij beantwoording van die vraag stelt het hof het volgende voorop. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder
(art. 1:431 lid 1 BW Pro). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW Pro). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend. De uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW Pro. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (vgl. HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).
2.3.
Gelet op het voorgaande volgt het hof appellante niet in haar betoog, dat de bewindvoerder in eerste aanleg weliswaar de formele procespartij was, maar dat de specifieke kwestie slechts appellante aangaat en niets van doen heeft met het financiële bewind dat over haar is uitgesproken. Het gaat in deze zaak immers om de uit de huurovereenkomst met geïntimeerde voortvloeiende rechten van appellante en dus om goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW Pro. Dit betekent dat in de onderhavige procedure betreffende de door de verhuurder (geïntimeerde) gevorderde ontbinding van die huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, Humanitas in de hoedanigheid van bewindvoerder van appellante als formele procespartij dient op te treden, zowel in eerste aanleg - zoals hier het geval was - als in hoger beroep. Humanitas heeft echter kennelijk geen aanleiding gezien om van het bestreden vonnis in hoger beroep te komen, ook niet na daartoe nog eens - binnen de appeltermijn -uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd door de advocaat van appellante bij brief van 30 oktober 2020 (bijlage bij akte van 3 november 2020). Dat de bewindvoerder van het instellen van hoger beroep heeft afgezien, maakt, anders dan zij in genoemde akte lijkt te betogen, niet dat dit alsnog door appellante zelf kan worden gedaan. Aan de stelling van appellante dat zij, kort gezegd, recht heeft op een eerlijk proces en dat zij deze eerlijkheid nu alsnog nastreeft, gaat het hof voorbij, reeds omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onduidelijk is waarop zij met deze stelling doelt.
2.4.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat appellante niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Appellante heeft nog verzocht om, indien zij zelf niet-ontvankelijk wordt geacht, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de beschermingsbewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. Het hof ziet geen aanleiding om daartoe over te gaan. De Hoge Raad heeft in zijn eerdergenoemde uitspraak van 7 maart 2014 overwogen dat de rechter, zo nodig ambtshalve, die gelegenheid dient te bieden, indien hij in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt. Die situatie doet zich hier evenwel niet voor, aangezien de bewindvoerder in eerste aanleg de formele procespartij was en kennelijk, zoals hiervoor onder 2.3 al werd overwogen, geen reden heeft gezien om van het bestreden vonnis in hoger beroep te komen.
2.5.
Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis;
veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.