ECLI:NL:GHAMS:2021:3532
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak poging zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs en verjaring subsidiaire mishandeling
De verdachte werd primair beschuldigd van poging zware mishandeling op 9 januari 2003 in Amsterdam en subsidiair van opzettelijke mishandeling met een scherp voorwerp. De politierechter veroordeelde verdachte bij verstek in 2003. In hoger beroep stelde de raadsman niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar dit werd verworpen omdat volgens vaste jurisprudentie overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid maar tot strafvermindering.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en oordeelde dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Dit was mede gebaseerd op wisselende verklaringen van een getuige die de steekpartij niet duidelijk kon bevestigen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van poging zware mishandeling.
Ten aanzien van het subsidiaire tenlastegelegde mishandelen stelde het hof vast dat de verjaringstermijn van zes jaar was verstreken omdat na april 2004 geen vervolgingshandelingen meer waren verricht die de verjaring konden stuiten. Hierdoor werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard voor dit subsidiaire feit.
De benadeelde had een schadevergoeding van €1.107,45 gevorderd, welke in eerste aanleg was toegewezen. Nu verdachte werd vrijgesproken en het subsidiaire feit verjaard was, werd de benadeelde niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 november 2021.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging zware mishandeling en het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard voor subsidiaire mishandeling wegens verjaring.