Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn na een huwelijk van ruim 20 jaar gescheiden, waarbij de man oorspronkelijk als huurder van de voormalig echtelijke woning was aangewezen. De vrouw stelde dat zij vanwege haar beperkte inkomen, sociaal netwerk en medische situatie recht heeft op het huurrecht. Het hof oordeelde dat het belang van de vrouw zwaarder weegt dan dat van de man, mede vanwege haar beperkte netwerk en financiële situatie.
De partneralimentatie werd vastgesteld op basis van de hofnorm, waarbij de vrouw een behoefte van € 2.374 netto per maand heeft en een verdiencapaciteit van het minimumloon. De man heeft een onderneming met een lager inkomen in 2020 door de coronacrisis en heeft geen draagkracht om alimentatie te betalen.
Ten aanzien van de huwelijkse schulden oordeelde het hof dat de belastingschulden 2017 en 2018 gemeenschapsschulden zijn en dat geen reden bestaat om af te wijken van de hoofdregel dat partijen ieder de helft dragen. Het verzoek van de man om de vrouw de helft van deze schulden te laten betalen werd afgewezen.
Het hof vernietigde het eerdere oordeel over het huurrecht en bepaalde dat de vrouw vanaf 15 maart 2021 huurder wordt van de woning. De overige beslissingen van de rechtbank werden bekrachtigd.
Uitkomst: De vrouw wordt huurder van de voormalig echtelijke woning en partneralimentatie wordt vastgesteld, maar de man heeft geen draagkracht om te betalen; de verdeling van huwelijkse schulden blijft gelijk.