Het Gerechtshof Amsterdam heeft in incidenteel hoger beroep de beschikking van de rechtbank Amsterdam bekrachtigd waarin de man werd verplicht maandelijks €676 aan partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De vrouw had een hogere bijdrage van €1.129 bruto per maand gevorderd, maar het hof vond de vastgestelde behoefte op basis van de hofnorm passend.
De vrouw, geboren in 1971, was sinds 2011 gehuwd met de man en had beperkte werkervaring in Nederland. Sinds oktober 2019 was zij arbeidsongeschikt en woonde tijdelijk in een opvanghuis met een bijstandsuitkering. Het hof stelde vast dat de vrouw behoeftig is en op korte termijn geen eigen inkomsten kan genereren die haar behoefte verminderen.
De man voerde onder meer aan dat het inkomen van de vrouw tijdens het huwelijk niet in de behoeftebepaling meegenomen mocht worden, omdat zij haar salaris aan familie in Marokko zou hebben doorgegeven. Dit werd door het hof onvoldoende onderbouwd bevonden. Het hof volgde de rechtbank in het gebruik van het netto besteedbaar gezinsinkomen van 2019 als uitgangspunt voor de hofnorm.
Daarnaast verwierp het hof het verzoek van de man om de alimentatie na anderhalf jaar op nihil te stellen, vanwege onzekerheid over het herstel en de verdiencapaciteit van de vrouw. De draagkracht van de man werd eveneens bevestigd op basis van de beschikbare gegevens en zijn verklaring over salarisaanvulling.
Uiteindelijk oordeelde het hof dat de man vanaf 5 februari 2021 de alimentatie verschuldigd is en dat de bestreden beschikking in alle punten wordt bekrachtigd.