ECLI:NL:GHAMS:2021:3949

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
16 december 2021
Zaaknummer
23-001682-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering na gedeeltelijke vrijspraak in hennepkwekerijzaak

In deze zaak ging het om een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen de betrokkene, die in eerste aanleg was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet op 20 oktober 2016. De ontnemingsvordering betrof een bedrag van €12.803,22, gebaseerd op het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 20 oktober 2016.

De politierechter had de betrokkene veroordeeld voor het telen van hennep op 20 oktober 2016, maar vrijgesproken voor de overige periode. Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen omdat deze betrekking heeft op de periode waarvoor de betrokkene is vrijgesproken.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de vordering tot ontneming af. Hiermee volgt het hof de stelling van de advocaat-generaal en de verdediging dat het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden opgelegd indien de hoofddelictperiode grotendeels is vrijgesproken.

De uitspraak benadrukt de noodzaak van een directe relatie tussen de bewezenverklaarde feiten en de ontnemingsvordering. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 november 2021.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat de betrokkene slechts voor één dag is veroordeeld en vrijgesproken voor de overige periode.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001682-20
datum uitspraak: 19 november 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
13-232019-17 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1983,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 12.803,22.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 april 2018 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 20 oktober 2016.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 6 februari 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.803,22 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2021.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden afgewezen, nu de betrokkene door de politierechter is vrijgesproken van een groot deel van de ten laste gelegde periode en slechts is veroordeeld voor de dag waarop de hennepkwekerij is aangetroffen, te weten 20 oktober 2016.
Het hof is samen met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen. In de hoofdzaak is aan de betrokkene ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 20 oktober 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen van hennep dan wel opzettelijk aanwezig hebben van hennep. De betrokkene is door de politierechter op 18 april 2018 veroordeeld voor het – kort gezegd – telen van hennep op 20 oktober 2016 en vrijgesproken van de overige ten laste gelegde periode. Nu de betrokkene is vrijgesproken van voornoemde periode en de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op deze periode, zal de vordering desgevorderd worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. J.D.L. Nuis en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 november 2021.