ECLI:NL:GHAMS:2021:3949
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering na gedeeltelijke vrijspraak in hennepkwekerijzaak
In deze zaak ging het om een ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen de betrokkene, die in eerste aanleg was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet op 20 oktober 2016. De ontnemingsvordering betrof een bedrag van €12.803,22, gebaseerd op het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 20 oktober 2016.
De politierechter had de betrokkene veroordeeld voor het telen van hennep op 20 oktober 2016, maar vrijgesproken voor de overige periode. Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen omdat deze betrekking heeft op de periode waarvoor de betrokkene is vrijgesproken.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de vordering tot ontneming af. Hiermee volgt het hof de stelling van de advocaat-generaal en de verdediging dat het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden opgelegd indien de hoofddelictperiode grotendeels is vrijgesproken.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van een directe relatie tussen de bewezenverklaarde feiten en de ontnemingsvordering. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 november 2021.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat de betrokkene slechts voor één dag is veroordeeld en vrijgesproken voor de overige periode.