Betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod op hennepteelt en diefstal, en tot betaling van €17.351 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en kwam tot een andere beslissing.
Het hof stelde vast dat betrokkene eigenaar was van de woning waar 216 hennepplanten werden aangetroffen en dat de hennepkwekerij ongeveer negen maanden actief was. Betrokkene gaf aan geen voordeel te hebben genoten, maar het hof achtte dit ongeloofwaardig en verweet de betrokkene onvoldoende aannemelijk te maken dat hij niet betaald werd voor het faciliteren van de hennepteelt.
Op basis van een gebruikelijke vergoeding van €1.500 per maand over negen maanden schatte het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op €13.500. Het hof legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 270 dagen.