Uitspraak
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
[A] B.V. (voorheen [B] B.V.),
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[C] B.V. (voorheen [C] V.O.F.),
[geïntimeerde sub 3],
[geïntimeerde sub 4],
Gerechtshof Amsterdam
In dit incident ex artikel 224 Rv Pro tot zekerheidstelling voor proceskosten heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat appellant sub 1, die stelt woonachtig te zijn in Polen, op grond van artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder a Rv in samenhang met artikel 14 van Pro het Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen geen zekerheid hoeft te stellen. Wederpartij, de geïntimeerden, heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op deze stelling en de overgelegde stukken.
Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de woonplaatsstelling van appellant sub 1 en wijst de vordering tot zekerheidstelling af. De kosten van het incident zullen worden toegewezen aan appellant sub 1, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 8 februari 2022 voor het nemen van een memorie van antwoord in incidenteel appel. Verder worden beslissingen aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen omdat appellant op grond van internationale verdragsregels geen zekerheid hoeft te stellen.