ECLI:NL:GHAMS:2021:440
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugbetalingsverplichting teveel betaalde kinderalimentatie over 2015-2017
De zaak betreft een geschil over kinderalimentatiebetalingen in de periode 2014 tot en met 2017 tussen de ouders van een inmiddels jongmeerderjarige dochter. De rechtbank had bepaald dat de man een lagere bijdrage moest betalen en dat de vrouw het teveel ontvangen bedrag moest terugbetalen. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep.
In hoger beroep betoogde de vrouw dat de man te laat was met zijn verzoek tot nihilstelling en dat de rechtbank ten onrechte niet had voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht bij terugbetalingsverplichtingen. Ook stelde zij dat de man extra inkomsten had verzwegen. De man voerde aan dat hij geen extra inkomsten had, dat het verzoek niet te laat was en dat hij mocht vertrouwen op afstand van alimentatie door de vrouw.
Het hof oordeelde dat het verzoek van de man niet te laat was ingediend en dat onvoldoende was gebleken dat de man extra inkomsten had. De berekening van de rechtbank bleef daarom in stand. Het hof bevestigde tevens dat de vrouw het teveel ontvangen bedrag in redelijkheid moet terugbetalen, ook al had de vrouw aangevoerd dat dit in strijd was met een eerdere beschikking. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
De man werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel hoger beroep, dat hij had ingetrokken. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees de overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de vrouw het teveel ontvangen kinderalimentatiebedrag over 2015-2017 aan de man moet terugbetalen en wijst het hoger beroep van de vrouw af.