In deze zaak heeft verzoekster, die in hoger beroep is tegen een veroordeling wegens belaging en wederrechtelijk binnendringen, een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de zittingscombinatie. Verzoekster stelde dat de voorzitter partijdig en vooringenomen zou zijn, onder meer vanwege het niet verstrekken van afschriften van getuigenoproepingen met adresgegevens.
Het hof heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de voorzitter geen vooringenomenheid heeft getoond. De door de voorzitter genomen beslissing om adresgegevens van getuigen te doorhalen was gericht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en liep niet vooruit op de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Tevens was er geen sprake van een beslissing op preliminaire verweren of op het al dan niet toevoegen van stukken aan het dossier.
De wrakingskamer benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid dat rechters toekomt en stelde dat de vrees van verzoekster niet objectief gerechtvaardigd was. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. De beslissing werd uitgesproken op 21 oktober 2021 door drie raadsheren van het gerechtshof Amsterdam.