ECLI:NL:GHAMS:2021:4450
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- R.D. van Heffen
- E.A.G. van der Ouderaa
- A.M. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Verschoningsbeslissing rechter wegens mogelijke schijn van partijdigheid
Een raadsheer van het Gerechtshof Amsterdam heeft verzocht zich te mogen verschonen in een strafzaak waarin hij betrokken was. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat hij eerder betrokken was bij de berechting van een medeverdachte in dezelfde zaak, waardoor de schijn van partijdigheid zou kunnen ontstaan.
Het hof overwoog dat rechters geacht worden onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Hoewel er geen aanwijzingen waren dat de raadsheer subjectief niet onpartijdig was, oordeelde het hof dat de omstandigheden objectief gezien voldoende zwaarwegende aanwijzingen vormden dat de schijn van partijdigheid kon ontstaan.
Daarom werd het verzoek van de raadsheer toegewezen en mocht hij zich van verdere behandeling van de procedure in deze zaak verschonen. De beslissing werd genomen door drie raadsheren, waarbij twee raadsheren buiten staat waren om mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verzoek tot verschoning van de raadsheer wegens schijn van partijdigheid werd toegewezen.