Uitspraak
9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het argument van de verdediging inhoudende dat de vele reizen die [getuige04] en [getuige05] hebben gemaakt verklaarbaar zijn uit de schadevergoeding die blijkens een daartoe strekkende verklaring van [getuige04] bij de rechter-commissaris op 22 mei 2008 aan haar zou zijn uitgekeerd, snijdt geen hout. In datzelfde verhoor heeft zij immers ook verklaard dat haar eerste verklaring na haar aanhouding, inhoudende dat zij niets van drugs wist en dat zij reisde met geld uit een schadevergoeding, niet juist was. [7] Om die reden en omdat ook voor het overige niets naar voren is gekomen over geld uit een schadevergoeding waarover [getuige04] en haar zus zouden hebben kunnen beschikken, is niet aannemelijk dat de vele reizen die [getuige04] en [getuige05] hebben gemaakt toeristisch van aard waren.
1.Opbrengsten
2.Totale opbrengsten
3.Kosten
4.Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 7.387.794,-heeft genoten.
€ 2.980.102,-heeft genoten.
7 november 2013 is beslist. In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding de op te leggen betalingsverplichting met € 20.000,- te verminderen. Voor een verderstrekkende korting, zoals voorgestaan door de verdediging, bestaat geen grond, mede gelet op de omstandigheid dat de vertraging in hoger beroep voor een groot deel is ontstaan doordat de betrokkene in Israël gedetineerd is geweest.
€ 2.960.102,-.
2.980.102,00 (twee miljoen negenhonderdtachtigduizend en honderdtwee euro).
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 2.960.102,00 (twee miljoen negenhonderdzestigduizend en honderdtwee euro).
mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 juli 2021.