ECLI:NL:GHAMS:2021:457
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen moeder en zoon voor medehuurderschap
In deze zaak vordert appellant, de zoon, op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro voortzetting van de huurovereenkomst van zijn overleden moeder met Stichting Ymere. Hij stelt dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en medehuurderschap toekomt. De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde hem tot ontruiming.
Het hof overweegt dat voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waarbij zowel subjectieve als objectieve factoren een rol spelen. Uit de feiten blijkt dat appellant na zijn echtscheiding bij zijn moeder introk vanwege het ontbreken van een eigen woning en de zorgbehoefte van zowel hemzelf als zijn moeder. Er is onvoldoende gebleken dat er een wederkerige, duurzame huishouding bestond.
Ook de financiële verwevenheid tussen appellant en zijn moeder is niet voldoende onderbouwd. Het hof concludeert dat appellant onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te ondersteunen. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd. De grieven van appellant falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst af wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.