Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Zwitser Leven,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid ten behoeve van de deelnemer;
Gerechtshof Amsterdam
Appellant was van 1999 tot 2005 deelnemer aan een collectieve pensioenregeling bij werkgever [X] en Zwitserleven. Hij vorderde terugbetaling van circa €11.000,- aan inhoudingen op pensioenpremies, vermeerderd met rente, stellende dat hij niet op de kosten was gewezen en dat deze inhoudingen onrechtmatig waren.
De kantonrechter wees de vorderingen af wegens verjaring en omdat de inhoudingen waren overeengekomen in het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst, waarbij appellant als deelnemer partij werd. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellant zich niet kon beroepen op gebrek aan informatie over de kosten, omdat deelname verplicht was en de voorwaarden rechtsgeldig waren overeengekomen.
Een uitzondering werd gemaakt voor de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, maar ook daarbij geldt dat appellant bekend mocht worden verondersteld met de kosten van een verzekering. Het hof verwierp alle gronden van appellant, waaronder dwaling, toerekenbaar tekortschieten en onrechtmatige daad, en verklaarde de vorderingen inhoudelijk ongegrond. Het beroep op verjaring werd niet inhoudelijk behandeld wegens gebrek aan belang.
Het arrest bevestigt dat de collectieve pensioenregeling en de uitvoeringsovereenkomst rechtsgeldig zijn en dat de inhoudingen op de premies niet onrechtmatig zijn. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens geldige overeenkomst en verjaring.