ECLI:NL:GHAMS:2021:524
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen voortzetting huurovereenkomst na overlijden moeder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de moeder van appellant, die de huurder was van een woning. Appellant woonde sinds 2009 bij zijn moeder en voerde aan dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, wat hem recht zou geven op voortzetting van de huurovereenkomst. Ymere, de verhuurder, wees dit af en vorderde ontruiming.
De kantonrechter wees de vordering van appellant af en kende Ymere het recht op ontruiming toe. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij financieel bijdroeg en zorgde voor zijn moeder, ondersteund door verklaringen van omwonenden, huisarts en familieleden. Het hof oordeelde dat het samenwonen van ouder en kind slechts onder bijzondere omstandigheden als duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt.
Het hof stelde vast dat appellant onvoldoende concrete bewijzen had geleverd van financiële verwevenheid of gezamenlijke activiteiten vóór de ziekenhuisopname van moeder. De periode waarin appellant zorgde na terugkeer van moeder was te kort en onvoldoende om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. De grieven van appellant faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde appellant in de kosten en wees het bewijsaanbod af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst af wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.