Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarbij verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een auto die aan een ander toebehoorde. De feiten speelden zich af op 16 april 2018, toen verdachte na een verkeersruzie zijn emoties niet kon beheersen en meerdere keren tegen de auto schopte, waardoor schade ontstond.
De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur, te vervangen door 10 dagen hechtenis indien niet uitgevoerd. In hoger beroep bevestigde het hof deze straf, maar legde deze niet voorwaardelijk op zoals door de advocaat-generaal was voorgesteld. Het hof oordeelde dat de eerdere veroordeling wegens vernieling in het verleden niet in het voordeel van verdachte sprak.
Daarnaast werd de schadevordering van de benadeelde partij afgewezen omdat niet de juiste partij de vordering had ingediend. De benadeelde partij en verdachte dragen ieder hun eigen kosten. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met een aangepaste bewezenverklaring.