Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Deze zaak betreft een geschil over de erfgrens tussen twee percelen die oorspronkelijk één perceel vormden en in 1961 werden gesplitst. De kern van het geschil is of de erfgrens door verjaring is komen te liggen op een andere plaats dan de kadastrale grens, en of appellanten onrechtmatig een schutting hebben geplaatst op het perceel van geïntimeerden.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de erfgrens door verjaring is komen te liggen zoals geïntimeerden stelden en dat appellanten onrechtmatig handelden door de schutting te plaatsen en schade te veroorzaken. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep met meerdere grieven, waaronder dat hun rechtsvoorgangers de erfafscheiding hadden geplaatst en dat er een afspraak was over het gebruik van het stuk grond.
Het hof bevestigt de feiten en het oordeel van de rechtbank. De feitelijke erfafscheiding bestond uit een laag hekje dat niet op de kadastrale grens stond, maar dat bezit was van geïntimeerden en hun rechtsvoorgangers. Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn is begonnen in 1976 bij de ruilverkaveling en dat geïntimeerden sinds 1996 eigenaar zijn van het omstreden stuk grond. De grieven van appellanten falen, waaronder hun betoog over het gebruik van de haag en de vermeende afspraak.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep en wijst hun vorderingen af. De uitspraak bevestigt het belang van feitelijk bezit en verjaring bij eigendom van grond en de onrechtmatigheid van het plaatsen van erfafscheidingen buiten de juridische grens.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de grieven van appellanten af, bevestigend dat de erfgrens door verjaring bij geïntimeerden ligt en dat appellanten onrechtmatig handelden.