ECLI:NL:GHAMS:2021:610
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdverblijfplaats en zorgregeling na echtscheiding met geschil over huurrecht en kinderalimentatie
Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is vastgesteld bij de vrouw, met een zorgregeling waarbij de kinderen op woensdag en zondag bij de man verblijven. De man verzoekt om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem en een andere zorgregeling, alsmede het huurrecht van de woning en kinderalimentatie aan te passen.
De vrouw betwist de stellingen van de man over onvoldoende zorg en opvoeding en stelt dat zij de kinderen goed verzorgt. De Raad voor de Kinderbescherming en de betrokken gecertificeerde instelling (GI) zien geen reden om de hoofdverblijfplaats te wijzigen en adviseren de huidige zorgregeling te handhaven.
Het hof oordeelt dat de vrouw de stabiele factor is en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat zij niet goed voor de kinderen zorgt. De zorgregeling wordt als passend beoordeeld gezien de jonge leeftijd van de kinderen en het belang van frequent contact met beide ouders. De man heeft geen zelfstandige woonruimte voor overnachtingen, wat meeweegt in de beslissing.
Ook het huurrecht van de woning wordt bevestigd ten gunste van de vrouw, omdat de hoofdverblijfplaats bij haar is. De kinderalimentatie blijft vastgesteld op het minimale bedrag van €50 per maand voor drie kinderen, omdat de man onvoldoende draagkracht heeft aangetoond. Verzoeken tot wijziging van de inboedelverdeling worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing.
De beschikking van de rechtbank wordt in hoger beroep bekrachtigd en de aanvullende verzoeken van partijen worden afgewezen.
Uitkomst: De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd; de hoofdverblijfplaats blijft bij de vrouw, zorgregeling en kinderalimentatie worden gehandhaafd, en verzoeken tot wijziging worden afgewezen.