Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten vorderden betaling van een bedrag van €18.939,05 vermeerderd met rente en kosten, stellende dat geïntimeerde zijn aandeel in een gezamenlijke aankoop van een appartementsrecht niet had voldaan en dat sprake was van een geldleningsovereenkomst.
Geïntimeerde betwistte het bestaan van een geldleningsovereenkomst en stelde dat zijn aandeel was verrekend met een rekening-courantverhouding met Opbouw Amsterdam B.V., waarvan partijen aandeelhouder waren. Tevens wees hij op een vaststellingsovereenkomst waarin geen betalingsverplichting aan appellanten was opgenomen.
Het hof oordeelde dat appellanten onvoldoende hadden toegelicht hoe het bedrag was voldaan en dat zij als bestuurders van Opbouw inzicht hadden kunnen geven in de verrekeningen. Ook ontbrak een verklaring waarom de vermeende schuld niet in de vaststellingsovereenkomst was opgenomen.
Daarom was er geen aanknopingspunt voor het bestaan van een geldleningsovereenkomst. Ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalde. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van appellanten af wegens onvoldoende bewijs van een geldleningsovereenkomst.