ECLI:NL:GHAMS:2021:720
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vervolging luchtvaartmaatschappij wegens schending procesorde
In hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter heeft het gerechtshof Amsterdam het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van een luchtvaartmaatschappij wegens overtreding van artikel 4 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De verdediging stelde dat het OM onrechtmatig handelde door alleen met één luchtvaartmaatschappij een Memorandum of Understanding (MoU) af te sluiten en andere maatschappijen, waaronder de verdachte, zonder gelijke voorwaarden te vervolgen. Dit zou in strijd zijn met fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse Staat onvoldoende inspanningen heeft verricht om met andere luchtvaartmaatschappijen, waaronder de verdachte, vergelijkbare afspraken te maken. Hierdoor is sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Ook achtte het hof het vertrouwen van de verdachte in overleg bij geringe overtredingen geschonden.
Het openbaar ministerie kon niet aannemelijk maken dat de vervolging een door strafrecht beschermd belang dient. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de luchtvaartmaatschappij wegens schending van fundamentele procesbeginselen.