ECLI:NL:GHAMS:2021:721
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vervolging luchtvaartmaatschappij wegens schending procesorde
In hoger beroep is de vervolging van een luchtvaartmaatschappij wegens overtreding van artikel 4 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 aan de orde. De luchtvaartmaatschappij werd verweten onvoldoende toezicht te houden op de geldigheid van grensoverschrijdingsdocumenten van een vreemdeling die via haar vlucht Nederland binnenkwam.
De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de luchtvaartmaatschappij geen Memorandum of Understanding (MoU) had kunnen sluiten met de Nederlandse Staat, in tegenstelling tot een andere luchtvaartmaatschappij die wel zo’n MoU heeft. Hierdoor zou sprake zijn van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en schending van het vertrouwensbeginsel.
Het openbaar ministerie voerde aan dat alle luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid hebben een MoU te sluiten en dat de verantwoordelijkheid bij de luchtvaartmaatschappij zelf lag. Daarnaast stelde het OM dat er geen sprake was van willekeur of ongelijke behandeling die vervolging zou uitsluiten.
Het hof oordeelde dat de Staat onvoldoende inspanningen heeft verricht om met andere luchtvaartmaatschappijen, waaronder verdachte, tot een MoU te komen. Hierdoor ontstond een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in de strafvervolging. Het hof concludeerde dat het openbaar ministerie de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, heeft geschonden en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de luchtvaartmaatschappij wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.