Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1betoogt [appellant] dat de kantonrechter niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. Het hof zal met het door [appellant] gestelde rekening houden. De (wel) vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
3.Beoordeling
(…) Als gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst, arbeidsongeschiktheid van de deelnemer is erkend, behoudt de arbeidsongeschikte deelnemer pensioenaanspraken voor het gedeelte waarvoor arbeidsongeschiktheid is erkend. (…) Voor het gedeelte waarvoor geen arbeidsongeschiktheid is erkend, verwerft de deelnemer pensioenaanspraken overeenkomstig de overige artikelen in dit pensioenreglement’. Artikel 19 lid 1 bepaalt Pro, ook in lijn met artikel 2 lid Pro 2: ‘
(…) Als op het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, arbeidsongeschiktheid van de deelnemer is erkend, behoudt de deelnemer pensioenaanspraken voor het gedeelte waarvoor arbeidsongeschiktheid is erkend. (…) Voor het gedeelte waarvoor op het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, geen arbeidsongeschiktheid is erkend, geldt het gestelde in het artikel “Rechten bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst”.
arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de persoon die door rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolgen van ziekte, ongeval of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid, waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, te verdienen hetgeen gezonde personen met arbeid gewoonlijk verdienen (verlies aan verdiencapaciteit). Bij het bepalen van de arbeidsongeschiktheidsgraad wordt uitgegaan van een aantal arbeidsuren van ten hoogste 60 arbeidsuren per week.’ In de definitie van arbeidsongeschiktheid wordt derhalve niet gerept over het hebben doorlopen van een wachttijd. Met de definitie is beter verenigbaar de lezing van [appellant] , dat onder arbeidsongeschiktheid in dit verband dient te worden verstaan: de eerste ziektedag. Dat is immers de dag waarop als gevolg van, kort gezegd, medische redenen, betrokkene niet meer in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.
De prestaties wegens arbeidsongeschiktheid gaan in op de eerste dag van de maand, volgende op het tijdstip, waarop de verzekerde gedurende de op de polis omschreven wachttijd onafgebroken tenminste 15% arbeidsongeschikt is geweest en tevens aansluitend tenminste 15% arbeidsongeschikt is, mits melding wordt gemaakt van de arbeidsongeschiktheid binnen de bedoelde wachttijd.’ Artikel 5.1 van de AOTU7 noemt zeven graden van arbeidsongeschiktheid, te beginnen met 15-25% en eindigend met 80-100% arbeidsongeschiktheid. Artikel 7.1 van de AOTU7 bepaalt: ‘
De melding van arbeidsongeschiktheid moet binnen drie maanden na de eerste ziektedag schriftelijk bij de pensioenuitvoerder worden ingediend’. Artikel 3.1 rept derhalve over het hebben doorlopen van een wachttijd, echter in verband met het ingaan van de prestaties. Artikel 7.1 verplicht de verzekerde om melding te maken van arbeidsongeschiktheid binnen drie maanden na de eerste ziektedag. Door geen der partijen is bepleit dat er verschillende begrippen ‘arbeidsongeschiktheid’ zouden bestaan. Het hof gaat er daarom, bij gebreke van enige andersluidende aanwijzing, van uit dat het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ in het pensioenreglement en in AOTU7 steeds hetzelfde begrip omvat. Artikel 7.1 verplicht de verzekerde om binnen drie maanden na de eerste ziektedag tegenover de pensioenuitvoerder melding te maken van arbeidsongeschiktheid. Met dit artikel is onverenigbaar de lezing die Zwitserleven aan ‘arbeidsongeschiktheid’ geeft, namelijk ‘arbeidsongeschiktheid na het verstreken zijn van 104 weken wachttijd’. Wanneer binnen drie maanden na de eerste ziektedag van de arbeidsongeschiktheid melding moet worden gemaakt, is de wachttijd van 104 weken immers nog lang niet verstreken. Dat vormt een sterke indicatie van de juistheid van de visie van [appellant] . Artikel 3.1 AOTU7 maakt wel melding van het verstreken zijn van de wachttijd, maar zoals overwogen, in verband met het ingaan van de prestaties. Het hof acht deze bepaling verenigbaar met de lezing van Zwitserleven, doch ook met die van [appellant] : denkbaar is immers dat als voorwaarde voor voortzetting van het deelnemerschap geldt het hebben van een eerste ziektedag tijdens het verzekerde dienstverband, doch dat de prestaties pas op een later moment intreden. Het hof merkt hierbij op dat in de AOTU7-regeling de lengte van de wachttijd niet is bepaald. Dat is wel gebeurd in de Uitvoeringsovereenkomst GN4269, waar [appellant] in hoger beroep op heeft gewezen.
Indien en zodra de verzekerde zijn verplichtingen, zoals vermeld in 7.1 en 7.2 niet nakomt, heeft de pensioenuitvoerder het recht, indien zij door niet-nakoming is benadeeld, de prestaties wegens arbeidsongeschiktheid niet toe te kennen, op basis van een lagere arbeidsongeschiktheidsgraad toe te kennen dan wel vanaf een latere datum en reeds toegekende prestaties te doen vervallen dan wel terug te vorderen.’ en in artikel 7.4 AOTU7
‘Indien er op een later tijdstip dan de in het pensioenoverzicht genoemde wachttijd melding wordt gemaakt van de arbeidsongeschiktheid, dan zullen de prestaties niet eerder ingaan dan op de eerste dag van de eerstvolgende maand die na de meldingsdatum van de arbeidsongeschiktheid, voor zover de arbeidsongeschiktheid van tenminste 15% dan nog bestaat.’Te late melding hoeft dus niet tot verval van alle rechten te leiden.
de prestaties niet eerder (zullen) ingaan dan op de eerste dag van de eerstvolgende maand die na de meldingsdatum van de arbeidsongeschiktheid (…)’, in casu pas per 1 juli 2016. [appellant] heeft gesteld dat het in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid om de prestaties op een later tijdstip te laten ingaan dan 15 april 2014, maar het hof is van oordeel dat [appellant] daartoe onvoldoende heeft aangevoerd.