ECLI:NL:GHAMS:2021:84

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
20 januari 2021
Zaaknummer
200.283.971/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens onvoldoende financieel belang

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam, waarin geïntimeerde een vordering van €1.104,- had ingesteld. Het hof beoordeelt of het hoger beroep ontvankelijk is op grond van artikel 332 Rv Pro, dat stelt dat hoger beroep niet openstaat bij vorderingen onder €1.750,- inclusief rente tot dagvaarding.

De vordering van geïntimeerde bestond uit een tarief verloren kaart, schadevergoeding en incassokosten, tezamen onder de appellabiliteitsgrens. Appellant stelde een hogere vordering en een reconventionele vordering, maar deze waren niet aan de kantonrechter voorgelegd en tellen daarom niet mee.

Het hof concludeert dat appellant onvoldoende financieel belang heeft bij het hoger beroep en verklaart hem niet-ontvankelijk. Tevens wordt appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op €1.139,50. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 19 januari 2021.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens onvoldoende financieel belang en veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.283.971/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8254536 CV EXPL 20-305
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2021
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.E. van Rossum te Amsterdam,
tegen
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.F.P.M. Spreksel te Maastricht.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 22 september 2020 is appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2020 dat onder bovengenoemd zaaknummer tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde is gewezen.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 6 oktober 2020.
Bij rolbeslissing van 6 oktober 2020 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 20 oktober 2020 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde bij akte zal mogen reageren.
Appellant heeft op 3 november 2020, na een aanhouding van twee weken, een akte als hiervoor bedoeld, met een bijlage, genomen.
Geïntimeerde heeft op 1 december 2020 een antwoordakte genomen.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 332 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. De tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente wordt blijkens dit artikel bij de vordering inbegrepen. Voor de proceskosten geldt dit niet.
2.2.
Geïntimeerde (in eerste aanleg: eiseres) heeft, zo volgt uit rechtsoverweging
2 van het bestreden vonnis, in eerste aanleg aan de kantonrechter een vordering van
€ 1.104,- voorgelegd, bestaande uit € 360,- wegens tarief verloren kaart, € 600,- aan schadevergoeding,- en € 144,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens heeft zij rente gevorderd over € 1.104,- vanaf de datum van pleging (14 oktober 2016), althans verzuim. Daarmee heeft geïntimeerde aan de kantonrechter een vordering voorgelegd die - ook vermeerderd met de tot aan de dag van de dagvaarding in eerste aanleg (25 november 2019) verschenen wettelijke rente - onder de appellabiliteitsgrens van artikel 332 Rv Pro blijft. Het hof gaat derhalve voorbij aan de - niet nader onderbouwde - stelling van appellant in zijn akte van 3 november 2020 dat het gaat om “een vordering van 960 plus kosten zijnde een bedrag van meer dan 1750,00 euro”.
2.3.
Appellant voert verder nog aan dat deze zaak materieel samenhangt met een (onterechte) vordering van geïntimeerde op hem van meer dan € 3.000,- en dat hij in dit licht tevens een reconventionele vordering ter hoogte van dit bedrag op geïntimeerde heeft wegens onverschuldigde betaling, zodat de werkelijke vordering van geïntimeerde een bedrag betreft dat de appelgrens ruimschoots overschrijdt. Het hof volgt appellant evenmin in deze stelling. Bepalend voor het antwoord op de vraag of hoger beroep openstaat, is uitsluitend de waarde van de vordering waarover in eerste aanleg geoordeeld diende te worden. Gesteld noch gebleken is dat de door appellant thans aangevoerde vordering van (meer dan) € 3.000,- in de onderhavige zaak in eerste aanleg (in reconventie) aan de kantonrechter is voorgelegd, zodat die vordering, wat daarvan verder ook zij, voor de beoordeling van de appellabiliteit niet ter zake doet.
2.4.
Gezien het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat appellant niet in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis kan worden ontvangen.
2.5.
Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 760,- aan verschotten en € 379,50 aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.