ECLI:NL:GHAMS:2022:1459
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tot terugkeer huurder na vrijwillige ontruiming
In deze zaak is de huurder in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter waarin de huurovereenkomst is ontbonden en hij is veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Na vrijwillige ontruiming verzocht de huurder via een incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv Pro om een voorlopige voorziening om terug te keren in het gehuurde.
De huurder stelde dat hij dakloos was en niet bij vrienden kon blijven logeren gedurende de duur van het hoger beroep, en dat het pand leeg stond en te koop was. Hij voerde aan dat zijn belang bij terugkeer zwaarder woog dan het belang van de verhuurder bij verkoop van het pand.
Het hof oordeelde dat de huurder ontvankelijk was in zijn vordering, maar dat de belangenafweging in het nadeel van de huurder uitviel. De huurder had vrijwillig aan het ontruimingsvonnis voldaan en onvoldoende toegelicht waarom hij nu terug zou moeten kunnen keren. De verhuurder mocht het pand in ontruimde staat houden en het belang bij verkoop woog zwaarder.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De hoofdzaak werd verwezen voor verdere behandeling, en de beslissing over de proceskosten in het incident werd aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De voorlopige voorziening tot terugkeer in het gehuurde wordt afgewezen wegens een belangenafweging in het nadeel van de huurder.