ECLI:NL:GHAMS:2022:1468
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontbinding huurovereenkomst wegens vermeend ontbreken hoofdverblijf
De huurder heeft sinds 2002 een sociale huurwoning gehuurd van verhuurder. Verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst omdat huurder niet meer zijn hoofdverblijf in de woning zou hebben, wat door de kantonrechter werd toegewezen. In hoger beroep betwist huurder deze stelling met diverse verklaringen, bankafschriften en foto’s die zijn feitelijk gebruik van de woning onderbouwen.
Het hof stelt vast dat verhuurder de bewijslast draagt voor de stelling dat huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Huurder heeft voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die deze stelling betwisten, waaronder verklaringen van omwonenden, vrienden en familie, en een uitleg over zijn lage energieverbruik.
Verhuurder krijgt de gelegenheid om bewijs te leveren, onder meer door getuigen te laten horen. Het hof houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar een rolzitting voor de organisatie van het getuigenverhoor. Ook wordt opgemerkt dat de omstandigheden mogelijk aanleiding geven tot een minnelijke regeling tussen partijen.
Uitkomst: Het hof staat verhuurder toe bewijs te leveren over het ontbreken van hoofdverblijf en houdt verdere beslissing aan.