ECLI:NL:GHAMS:2022:157
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming ex-partner zonder medehuurderschap in woonruimte
Partijen hadden een langdurige affectieve relatie en woonden samen in een gehuurde woning die op naam van appellant stond. Na beëindiging van de relatie verzocht appellant de voormalige partner de woning te verlaten, wat werd geweigerd. Appellant vorderde in kort geding het uitsluitend gebruik van de woning en ontruiming van de voormalige partner, stellende dat zij geen medehuurder was.
De kantonrechter wees de vorderingen af, onder meer vanwege onvoldoende zekerheid over de uitkomst van de bodemprocedure en het belang van de inwonende meerderjarige zoon die herstellende was van een ziekte. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij dakloos was en dat de voormalige partner geen huur betaalde, terwijl deze stelde dat zij de huur zou betalen zodra zij een uitkering ontving.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn vorderingen in de bodemprocedure kans van slagen hebben. Gezien de langdurige samenwoning en de omstandigheden achtte het hof het niet gerechtvaardigd om de ontruiming voorlopig toe te wijzen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat ieder de eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot uitsluitend gebruik en ontruiming van de voormalige partner wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.