Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €324.000 voor het jaar 2019. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het geschil betrof enerzijds de vraag of de heffingsambtenaar verplicht was om aanvullende stukken, zoals grondstaffels en KOUDV- en liggingsfactoren, toe te zenden in de bezwaarfase, en anderzijds of de vastgestelde WOZ-waarde te hoog was. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar zijn inzageplicht schond, maar dat belanghebbende hierdoor niet in haar belangen was geschaad. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de heffingsambtenaar met het taxatieverslag en aanvullende stukken voldeed aan zijn informatieverplichtingen.
Wat betreft de WOZ-waarde concludeerde het hof dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren met de woning van belanghebbende en dat de gehanteerde waarderingsmethode en correcties adequaat waren. De stellingen van belanghebbende over een lagere kwaliteit en staat van onderhoud werden onvoldoende onderbouwd. Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 7 juni 2022.