ECLI:NL:GHAMS:2022:1878

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
28 juni 2022
Zaaknummer
200.297.729/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering wegens verzorgde plechtigheid en repatriëring na overlijden vader

In hoger beroep tegen het verstekvonnis van de kantonrechter heeft het Gerechtshof Amsterdam de vordering van appellante alsnog toegewezen. Appellante had een bedrag gevorderd wegens de verzorging van een plechtigheid en repatriëring van de overleden vader van geïntimeerde naar Iran, waarvoor zij een factuur had gestuurd. De kantonrechter had de vordering afgewezen omdat appellante onvoldoende had toegelicht hoe zij had voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen uit het Burgerlijk Wetboek.

Het hof oordeelde dat appellante aan deze informatieverplichtingen had voldaan en dat geïntimeerde de factuur van € 22.428,44 op grond van de opdrachtsovereenkomst aan appellante dient te betalen. Omdat geïntimeerde niet tijdig had betaald, is hij in verzuim en verschuldigd wettelijke rente en bijkomende incassokosten.

Het hof vernietigde het bestreden vonnis en veroordeelde geïntimeerde tot betaling van het volledige gevorderde bedrag van € 23.862,51, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, en in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verstekvonnis en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van € 23.862,51 met rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.297.729/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 8940438 \ CV EXPL 20-10849
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juni 2022
inzake
[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. R. van Viersen te
Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellante] is bij dagvaarding van 2 juli 2021 in hoger beroep gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, vestigingsplaats Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 26 mei 2021, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Nadat tegen [geïntimeerde] verstek was verleend, heeft [appellante] onder overlegging van producties van grieven gediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, kort gezegd, alsnog haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.Beoordeling

2.1.
In eerste aanleg heeft [appellante] van [geïntimeerde] de betaling gevorderd van een bedrag van € 23.862,51, vermeerderd met de wettelijke rente over € 22.428,44 vanaf de dag van de dagvaarding, 2 oktober 2020, en met de proceskosten. [appellante] heeft aan deze vordering, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] haar een bedrag van € 22.428,44 verschuldigd is wegens de door haar in diens opdracht op 8 augustus 2019 verzorgde plechtigheid, met repatriëring naar [land] , van de vader van [geïntimeerde] , waarvoor [appellante] hem op 22 augustus 2019 ten belope van dat bedrag een factuur heeft gestuurd. Tevens heeft [appellante] van [geïntimeerde] de betaling gevorderd van een bedrag van € 361,31 wegens op de dag van de dagvaarding verschenen wettelijke rente, een bedrag van € 999,28 wegens buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 73,48 wegens een op 13 juli 2020 uitgebracht sommatie-exploot.
2.2.
Nadat tegen [geïntimeerde] verstek was verleend heeft de kantonrechter bij (niet in het hoger beroep betrokken) tussenvonnis van 3 maart 2021 [appellante] in de gelegenheid gesteld bij akte een nadere toelichting te geven ten aanzien van, kort gezegd, de in de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek bedoelde informatie-verplichtingen. Bij deze akte diende [appellante] tevens een toelichting te geven op het (grote) verschil tussen de door haar opgestelde kostenraming van 7 augustus 2019, sluitend op € 8.846,25, en de factuur van 22 augustus 2019 ter grootte van € 22.428,44. Nadat [appellante] ingevolge het tussenvonnis een akte met producties had genomen, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de vordering van [appellante] afgewezen en deze in de proceskosten van [geïntimeerde] , begroot op nihil, verwezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellante] heeft nagelaten een toelichting te geven op welke wijze zij heeft voldaan aan de zojuist genoemde (pre)contractuele informatieverplichtingen, als gevolg waarvan niet kon worden beoordeeld of [appellante] aan die wettelijke informatieverplichtingen heeft voldaan. Om die reden heeft de kantonrechter de tussen partijen gesloten overeenkomst ambtshalve vernietigd en de andere in het tussenvonnis aangesneden kwestie in het midden gelaten.
2.3.
Tegen voormelde beslissing en de gronden waarop deze berust komt [appellante] in hoger beroep met haar grieven op. Waar [appellante] in de appeldagvaarding onder meer alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] vordert, is sprake van een (voor laatstgenoemde kenbare) vergissing. Alleen [appellante] had immers in eerste aanleg (tegen [geïntimeerde] ) een vordering ingesteld en deze was bij het bestreden vonnis afgewezen.
2.4.
De grieven kunnen gezamenlijk worden behandeld. Op grond van de door [appellante] in hoger beroep gegeven toelichting en overgelegde producties – welk een en ander door [geïntimeerde] niet is betwist – is het hof van oordeel dat [appellante] aan haar voormelde wettelijke informatieverplichtingen heeft voldaan en dat [geïntimeerde] de (naar behoren gespecificeerde en toegelichte) factuur van 22 augustus 2019 ten belope van € 22.428,44 op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht aan [appellante] dient te betalen. Omdat [geïntimeerde] deze factuur niet op de daarop vermelde vervaldag, 12 september 2019, had voldaan, is hij vanaf die dag in verzuim en wettelijke rente over het factuurbedrag verschuldigd. Dat die rente tot de dag van de dagvaarding in eerste aanleg een bedrag van € 361,31 beloopt, heeft [geïntimeerde] niet betwist, evenmin als de door [appellante] gestelde buitengerechtelijke (incasso)werkzaamheden en het daarmee gemoeide bedrag van € 999,28. Hetzelfde geldt, ten slotte, ten aanzien van de kosten van € 73,48 wegens het op 13 juli 2020 uitgebrachte deurwaardersexploot waarbij [geïntimeerde] namens [appellante] tot betaling van is gesommeerd. Het hof zal daarom de vordering van [appellante] – onder vernietiging van het bestreden vonnis – alsnog integraal toewijzen. De grieven treffen dus doel.
2.5.
[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [appellante] in beide instanties.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht doende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 23.862,51, vermeerderd met de wettelijke rente over € 22.428,44 vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, 2 oktober 2020, tot de dag der voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [appellante] , in eerste aanleg begroot op € 1.118,67 voor verschotten en € 747,00 voor salaris van de gemachtigde en in hoger beroep op € 2.227,39 voor verschotten en € 1.442,00 voor salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, G.C. Boot en K.G.F. van der Kraats en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2022.