Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in een zaak van mishandeling in vereniging. De verdachte werd primair beschuldigd van poging tot zware mishandeling met een scherp voorwerp, maar het hof stelde vast dat dit niet bewezen kon worden vanwege gebrek aan objectief bewijs en tegenstrijdige verklaringen.
De verdachte voerde noodweer aan, maar het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte de confrontatie had opgezocht en het geweld had geïnitieerd. De mishandeling vond plaats op het logeeradres van het slachtoffer terwijl zij sliep, wat de ernst van het feit vergrootte.
De rechtbank had een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, maar het hof wijzigde dit in een taakstraf van 80 uur en 40 dagen hechtenis, rekening houdend met de omstandigheden en de persoon van de verdachte.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd in eerste aanleg toegekend voor €1.000,00, maar het hof matigde dit tot €750,00 voor immateriële schade en wees de rest van de vordering af wegens onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan het resterende bedrag bij de burgerlijke rechter vorderen.
Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en legde een gijzelingstermijn van maximaal 15 dagen op voor het geval de schadevergoeding niet wordt voldaan.