Buigcentrale Steenbergen (BCS) vorderde betaling van Bot Bouw wegens een vermeende aannemingsovereenkomst voor het project Cruquiusweg te Amsterdam. BCS stelde dat partijen mondeling en schriftelijk afspraken hadden gemaakt over het engineeren, uitwerken, produceren en aanbrengen van wapening. Bot Bouw betwistte het bestaan van een overeenkomst en stelde dat er slechts vrijblijvende offertes waren uitgewisseld.
De rechtbank wees de vorderingen van BCS af omdat geen overeenkomst was gesloten. BCS ging in hoger beroep en voerde aan dat het hof de feiten en omstandigheden onvoldoende had meegewogen en de Haviltex-maatstaf onjuist had toegepast. Het hof onderzocht de correspondentie en gedragingen van partijen, waaronder e-mails van januari 2018, juni 2019 en december 2019, en concludeerde dat er geen volledige wilsovereenstemming was bereikt.
Het hof stelde vast dat de e-mail van 5 januari 2018 van Bot Bouw niet door BCS volledig was aanvaard en dat latere prijsaanbiedingen vrijblijvende offertes waren. Ook het overleg in juni 2019 en de communicatie daarna wezen niet op een reeds gesloten overeenkomst. De e-mail van 3 december 2019 waarin Bot Bouw aangaf het project niet met BCS te willen uitvoeren, bevestigde dat er geen overeenkomst was. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde BCS in de kosten van het hoger beroep.