Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
eerste griefvan [appellant] houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering van [appellant] om de executie te staken en gestaakt te houden en daarbij tevens de gemeente te verbieden om tot verkoop over te gaan anders dan op zodanige wijze dat [appellant] de volgorde bepaalt (op straffe van een dwangsom) heeft afgewezen en de vordering van de gemeente om op de door haar gewenste wijze de executie van de roerende zaken van [appellant] over te gaan heeft toegewezen. Ter toelichting voert [appellant] het volgende aan.
grief IIIkeert [appellant] zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter tot afwijzing van de vordering om te bevelen de beslagen die zijn gelegd op roerende zaken van derden op te heffen en die aan [appellant] af te geven, teneinde tot teruggave over te gaan.
grief IIIbetoogt de gemeente dat [appellant] geen ambachtsman of werkman is zodat artikel 447 Rv Pro niet op hem van toepassing is en er (zo begrijpt het hof) geen grondslag is om op basis hiervan gereedschappen en werktuigen aan hem terug te geven. De voorzieningenrechter heeft dit miskend, aldus de gemeente. Het hof overweegt als volgt. De artikelen 447 en 448 Rv zijn onlangs gewijzigd. Artikel 447 Rv Pro houdt sinds 1 oktober 2020 in dat onder het beslagverbod vallen alle in de woonruimte aanwezige zaken die de schuldenaar en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan, dan wel voor hun scholing of studie. De bedoeling van de wetswijziging is geweest de wet aan de tijd aan te passen en dat alle zaken die een beslagene (en degenen die van hem afhankelijk zijn) nodig heeft om in zijn bestaansminimum te voorzien, vrij van beslag blijven. Het in de 19e -eeuwse wettekst van artikel 447 Rv Pro (oud) tot uitdrukking komende standsverschil tussen ambachtslieden en werklieden enerzijds en de hogere standen anderzijds, speelt in de nieuwe regeling geen rol meer en er wordt in artikel 448 Rv Pro (oud) niet langer gerefereerd aan ‘zaken die dienen tot enig onderwijs of de beoefening van kunsten of wetenschappen’. Voor zover het gaat om zaken waarmee de geëxecuteerde in zijn levensonderhoud voorziet, vallen zij onder de algemene formule. Zowel toen als nu is het de bedoeling van de wetgever geweest al die zaken die een kunstenaar nodig heeft om zijn werkzaamheden te verrichten en daarmee in zijn bestaan te voorzien onder het beslagverbod te laten vallen. Hoewel de grondslag voor het hier aan de orde zijnde beslagverbod artikel 448Rv (oud) is en niet artikel 447 Rv Pro (oud), zoals de gemeente terecht stelt, kan dit niet tot vernietiging van het vonnis leiden op dit punt. De grief faalt daarom.
grief IV.