In deze strafzaak is tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. De verdachte wordt verdacht van internetoplichting waarbij geld werd gestort op een rekening op zijn naam.
De raadsvrouw van de verdachte voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat medeverdachten niet worden vervolgd. Het hof verwierp dit verweer omdat het geld direct op de rekening van de verdachte werd gestort, wat een onderscheid maakt.
Tijdens de beraadslaging bleek het onderzoek niet volledig. Het hof acht het noodzakelijk twee getuigen te horen en bankafschriften van drie rekeningen op te vragen waarop op 11 mei 2018 bedragen van €5.000,- zijn gestort. Het onderzoek wordt heropend, geschorst en de zaak wordt verwezen naar een nader te bepalen zitting.
De raadsheer-commissaris krijgt de opdracht de getuigen te horen en de stukken te beheren. De verdachte en zijn raadsvrouw worden opgeroepen voor de vervolgzitting. Dit tussenarrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 juli 2022.