De zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorg- en vakantieregeling voor hun drie kinderen na het beëindigen van hun relatie eind 2020. De rechtbank had bepaald dat de kinderen iedere maandag tot woensdag bij de vader verbleven en vanaf mei 2022 eenmaal per veertien dagen een weekend bij hem zouden zijn, met een verdeling van vakanties in gelijke delen. De vader kwam in hoger beroep met het verzoek de weekendregeling te beperken tot eenmaal per vier weken en de vakanties pas gelijk te verdelen nadat hij over eigen woonruimte beschikt. De moeder verzocht om bekrachtiging van de rechtbankbeschikking en een meer gedetailleerde vakantieregeling.
Tijdens de mondelinge behandeling en op basis van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, oordeelde het hof dat het belang van de kinderen voorop staat en zij gebaat zijn bij een duidelijke en regelmatige zorgregeling. Gezien de werksituatie van beide ouders achtte het hof een weekendregeling van eenmaal per vier weken passend, waarbij de ouders de opvangverantwoordelijkheid delen. De reguliere zorgregeling blijft tijdens schoolvakanties van kracht tenzij ouders anders overeenkomen. De vader wordt geacht de kinderen op woensdag tot 12.00 uur te kunnen verzorgen, ondanks zijn huisvestingsproblemen.
Het hof wees het verzoek van de moeder af om een dwangsom op te leggen aan de vader bij niet-nakoming van de zorgregeling, omdat de nieuwe regeling haalbaar wordt geacht en de vader de kans moet krijgen deze na te leven. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze weekend- en vakantieregeling betreft en in die onderdelen gewijzigd. Voor het overige werd de beschikking bekrachtigd.