De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar zoon, geboren in 2021, en tegen de afwijzing van haar verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling. De minderjarige verblijft sinds kort na zijn geboorte in een perspectiefbiedend pleeggezin, waar ook zijn zusje verblijft. De moeder heeft het eenhoofdig gezag, maar de vader heeft de minderjarige niet erkend.
De kinderrechter had de uithuisplaatsing verlengd tot 30 december 2022 en de omgangsregeling beperkt tot begeleide momenten van anderhalf uur per keer. De moeder stelde dat zij positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, waaronder een eigen woning, baan en begeleiding, en dat het psychologisch onderzoek naar haar functioneren positieve kanten en aandachtspunten toont. De gecertificeerde instelling (GI) handhaaft dat verlenging noodzakelijk is vanwege zorgen over de veiligheid, stabiliteit en de problematiek van de moeder, en dat terugplaatsing momenteel niet aan de orde is.
Het hof erkent de positieve ontwikkelingen van de moeder, maar constateert dat er nog zorgen zijn, onder meer over de relatie met de vader en de kwetsbaarheid van de moeder. Ook is het gedrag van de minderjarige na omgangsmomenten reden tot zorg. Het hof acht de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk en bekrachtigt deze. Tegelijkertijd acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing over uitbreiding van de omgang te nemen en verzoekt de raad een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden en voorwaarden voor uitbreiding van de omgang, met een schriftelijk advies uiterlijk twee weken voor de volgende zitting.