Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.‘Het verzoek’ in lid 5, betreft echter het verzoek van de moeder en niet van de vader/de andere ouder. Hoewel het derde lid van artikel 1:253b BW in neutrale bewoordingen spreekt over ‘de tot het gezag bevoegde ouder’ die de rechtbank kan verzoeken ‘hem’ met het gezag over het kind te belasten, is het in de context van het gehele artikel duidelijk dat hiermee de moeder wordt bedoeld. In het tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat de moeder van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, van rechtswege het gezag verkrijgt. In deze bepaling wordt tevens de uitzondering vermeld:
tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. In het derde lid wordt vervolgens deze laatste situatie uitgewerkt door de moeder de mogelijkheid te geven een verzoek te doen om met het gezag belast te worden. In het vierde en het vijfde lid worden de toetsingscriteria gegeven voor respectievelijk de situatie dat ‘de andere ouder’ het gezag heeft of ‘een voogd’.
Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.Anders dan de advocaat van de vader stelt, heeft het woord ‘alleen’ in artikel 1:253c lid 4 naar het oordeel van het hof betrekking op het verzoek hem ‘alleen met het gezag te belasten’, in die zin dat de vader om het eenhoofdig gezag kan verzoeken. Het verzoek van de vader om
alleenmet het gezag te worden belast wordt slechts afgewezen wanneer gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van zijn verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd: hetzelfde toetsingscriterium als bij het verzoek door de moeder, zoals verwoord in artikel 1:253b lid 5 BW.
Kamerstukken II1993/94, 23714, 3, p. 1 en 10).