In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen twee percelen, ontstaan door splitsing van een oorspronkelijk perceel, een erfdienstbaarheid van overpad was gevestigd. Het hof concludeerde op basis van de uitleg van de notariële akte van 31 augustus 2001 dat geen erfdienstbaarheid tussen de nieuwe percelen was gevestigd. De akte vermeldde wel bestaande erfdienstbaarheden, maar bevatte geen nieuwe tussen de gesplitste percelen.
De geïntimeerden stelden dat het ontbreken van de erfdienstbaarheid in de akte een evidente omissie was en dat partijen er in de praktijk van uitgingen dat het recht van overpad bestond. Het hof verwierp dit standpunt omdat de akte objectief moest worden uitgelegd en de wens van een partij niet leidend is als dit niet uit de akte blijkt. Ook het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid slaagde niet, omdat eigendom het meest verstrekkende recht is en een eigenaar niet verplicht kan worden een gebruik te gedogen dat niet uit een recht voortvloeit.
Ten aanzien van het beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring oordeelde het hof dat de verjaringstermijn niet was verstreken. De percelen waren pas in 2001 ontstaan en de pretentie van de geïntimeerden was in 2020 door appellanten tegengesproken. Bovendien ontbrak goede trouw omdat uit de akte duidelijk bleek dat geen erfdienstbaarheid was gevestigd. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen, vernietigde het voor zover in reconventie gewezen en wees de reconventionele vorderingen af, met veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten.