Art. 512 SvArt. 72 Wet personenvervoerArt. 207 SrArt. 225 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer wegens onduidelijkheid over overgelegde stukken
In de strafzaak betreffende een hoger beroep tegen een vonnis wegens overtreding van artikel 72 WetPro personenvervoer heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer N.A. Schimmel. Verzoeker stelde dat het proces-verbaal van 9 februari 2022 onjuist vermeldde dat stukken aan hem waren overhandigd, wat zijn vertrouwen in een onpartijdige behandeling zou hebben geschaad.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 30 maart 2022 heeft de raadsheer toegelicht welke stukken daadwerkelijk zijn verstrekt en verwezen naar de griffier die aanvullende stukken zou toezenden. De advocaat-generaal concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat de raadsheer onjuistheden heeft opgenomen of vooringenomen was.
De wrakingskamer oordeelde dat zelfs indien de vermelding in het proces-verbaal onjuist zou zijn, dit geen grond voor wraking vormt zonder aanwijzingen voor opzet of vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen. De beslissing werd uitgesproken op 13 april 2022 door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer Schimmel is afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer : 200.307.438/01
beslissing van de wrakingskamer van 13 april 2022
inzake het op 16 februari 2022 ingediende wrakingsverzoek van
[verzoeker01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1985,adres: [adres01] ,
hierna: verzoeker.
1.Het geding
1.1.
In de strafzaak met parketnummer 23-002899-21 heeft verzoeker, na ontvangst van het op 15 februari 2022 verzonden proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 9 februari 2022 bij verzoekschrift van 16 februari 2022, een verzoek gedaan tot wraking van mr. N.A. Schimmel, raadsheer in dit hof (hierna: de raadsheer).
1.2.
De raadsheer heeft bij e-mail van 7 maart 2022 medegedeeld dat hij niet berust in het wrakingsverzoek.
1.3.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 30 maart 2022 plaatsgevonden. Ter zitting zijn verzoeker en mr. M.M. Steinmetz, advocaat-generaal bij het hof, verschenen. Zowel verzoeker als de advocaat-generaal hebben het woord gevoerd; verzoeker aan de hand van een pleitnota die hij heeft overgelegd.
2.De feiten en het procesverloop
2.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 april 2019, waarbij verzoeker bij verstek is veroordeeld wegens overtreding van het bepaalde in artikel 72 WetPro personenvervoer tot een geldboete van 95 euro, subsidiair 1 dag hechtenis.
2.2.
Verzoeker heeft voorafgaand aan de strafzitting van 9 februari 2022 bij faxbericht van 31 januari 2022 verzocht om getuigen te doen horen en stukken aan het dossier te laten toevoegen. Op de zitting van 9 februari 2022 heeft verzoeker dat verzoek gehandhaafd.
2.3.
In een noot aan het einde van het proces-verbaal van de (regie)zitting van 9 februari 2022 staat dat de raadsheer ter terechtzitting “een aantal stukken” aan verzoeker heeft overhandigd en dat bepaalde stukken aan de verdachte dienen te worden verzonden.
2.4.
Bij e-mail van 28 maart 2022 – die is voorgelezen ter zitting – heeft de raadsheer het volgende geschreven aan de administratie van de wrakingskamer:
“Voor zover ik kan nagaan heb ik dhr [verzoeker01] het setje verstrekt (dagvaarding 1e aanleg, aantekening mondeling vonnis, appelakte) en een kopie van het proces-verbaal van overtreding.
In het pv van de terechtzitting wordt in een noot aangegeven welke stukken nog nagezonden zouden moeten worden, waarbij verwezen wordt naar de mail van de heer [verzoeker01] d.d. 31/01/2022. Op 15/2/202 heeft de griffier de griffie verzocht deze stukken aan hem toe te zenden”.
De griffier van de wrakingskamer heeft na afloop van de zitting een print van deze
e-mail aan verzoeker verstrekt.
3.Het standpunt van verzoeker
3.1.
Het verzoekschrift van 16 februari 2022 vermeldt als wrakingsgrond:
“ De gewraakte rechter, mr. N.A. Schimmel, heeft op onbegrijpelijke wijze, want zonder enige feitelijke grondslag, in het proces-verbaal van 09-02-2022 de valse verklaring en/of valse weergave gegeven (derhalve geen processuele beslissing):
De raadsheer heeft aan de verdachte ter terechtzitting een aantal stukken
overhandigt.
Dit heeft mijn vertrouwen in een onpartijdige behandeling onherstelbaar geschaad, de gewraakte rechter overtreedt dezelfde strafrechtelijke norm (artikelen 207 en 225 Sr) als de buitengewoon opsporingsambtenaar - waartegen reeds aangifte is gedaan - wiens verklaring hij op waarheid moet controleren. Ik heb een compleet en correct strafdossier nodig om mijn grieven te formuleren en om de nietigheid van de uitspraak van de rechtbank te eisen. Aldus probeert de gewraakte rechter niet alleen mijn recht op een eerlijk proces te saboteren. Hij probeert dit ook op een zodanig wijze te doen dat dit voor de hogere rechter, die zich moet baseren op het proces-verbaal, oncontroleerbaar wordt gemaakt.”
3.2.
Verzoeker heeft op de zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat een proces-verbaal bewijskracht heeft en dat hij aan een juist proces-verbaal veel waarde hecht, temeer omdat hij ten onrechte is veroordeeld op een vals opgemaakt proces-verbaal van een bijzondere opsporingsambtenaar. In het proces-verbaal van 9 februari 2022 staat dat op die zitting stukken zijn overhandigd aan verzoeker, maar toen is geen (enkel) stuk aan hem verstrekt. De inhoud van het proces-verbaal is dus onjuist en is doelbewust door de raadsheer in het proces-verbaal gezet, aldus verzoeker.
4.De conclusie van de advocaat-generaal
4.1.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat de raadsheer onjuistheden in het proces-verbaal heeft opgenomen. Het is gebruikelijk dat het hof een setje heeft met daarin stukken van de zaak en ter zitting wordt dit setje vaker verstrekt aan procesdeelnemers. Er is geen reden om aan te nemen dat de raadsheer vooringenomen is geweest of dat de raadsheer verzoeker onheus heeft bejegend.
4.2.
De advocaat-generaal concludeert tot afwijzing van het wrakingsverzoek.
5.Het oordeel van de wrakingskamer
5.1.
Artikel 512 WetboekPro van Strafvordering (Sv) voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op de wrakingsgrond van artikel 512 SvPro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Indien al moet worden aangenomen dat de vermelding in het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2022 over de overhandiging van stukken onjuist is, dan is dat nog geen grond voor wraking. Dit kan anders zijn indien de raadsheer dit bijvoorbeeld opzettelijk onjuist in het proces-verbaal heeft doen opnemen. Voor een dergelijke opzet ontbreekt echter iedere aanwijzing. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.3.
De slotsom is dat de aangevoerde grond niet tot wraking van de raadsheer kan leiden. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
6.De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking van mr. N.A. Schimmel af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, G.C.C. Lewin en M.A. Wabeke, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 april 2022.