Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen drie nietsvermoedende slachtoffers, waarvan twee ernstig hoofd- en hersenletsel opliepen.
De feiten betreffen een onverwachte en gewelddadige aanval door verdachte en medeverdachten op de slachtoffers, die na een avond uit terugliepen naar hun hotel. De slachtoffers werden van achteren neergeslagen en zwaar toegetakeld, waarbij twee bewusteloos raakten en ernstig letsel opliepen, waaronder hersenbloedingen en blijvende neurologische schade.
De verdediging voerde verweren die door het hof werden verworpen. Het hof oordeelde dat de ernst van het geweld en de blijvende schade zwaarder wegen dan de positieve persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals zijn erkenning, spijtbetuiging en reclasseringsadvies.
Het hof vernietigde de strafoplegging van de rechtbank en legde een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest. Tevens werd rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf met drie maanden werd verminderd.
Het vonnis bevestigt de bewezenverklaring en benadrukt het belang van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gezien de ernst van het feit en de blijvende gevolgen voor de slachtoffers.