In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 18 maart 2021 beoordeeld. De verdachte werd vrijgesproken van een primair en subsidiair tenlastegelegd feit, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen die vrijspraak. Voor het onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde feit van openlijke geweldpleging tegen drie slachtoffers, waarbij twee zwaar hoofd- en hersenletsel opliepen, werd de bewezenverklaring bevestigd.
De feiten betreffen een gewelddadige aanval op drie nietsvermoedende slachtoffers in Egmond aan Zee, waarbij de verdachte samen met medeverdachten de slachtoffers van achteren neersloeg en trapte, met ernstige lichamelijke en psychische gevolgen voor de slachtoffers. Het hof verwierp de verweren van de verdediging, waaronder twijfel aan de betrouwbaarheid van verklaringen vanwege alcoholgebruik, en nam de verklaringen mee voor zover deze ondersteund werden door ander bewijsmateriaal.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de blijvende schade bij de slachtoffers, het ontbreken van verantwoordelijkheid bij de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof legde een gevangenisstraf van 23 maanden op, verminderd met 3 maanden wegens termijnoverschrijding, resulterend in een effectieve straf van 20 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest. Het vonnis van de rechtbank werd bevestigd, behalve voor de strafoplegging die werd vernietigd en opnieuw vastgesteld.