Appellant huurde sinds november 2017 een woning van Stichting Woonwaard, waarbij de huurovereenkomst bepaalde dat de woning uitsluitend als woonruimte mocht worden gebruikt. In maart 2019 werd door politie een controle uitgevoerd waarbij werd vastgesteld dat de woning werd gebruikt voor bedrijfsmatige prostitutie zonder vergunning. Woonwaard startte daarop een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, met een contractuele boete.
De kantonrechter oordeelde dat appellant ernstig tekortgeschoten was in zijn verplichtingen als huurder en ontbond de huurovereenkomst. Appellant ging in hoger beroep, maar berustte vervolgens in het vonnis door onder meer het betalen van proceskosten en het treffen van een betalingsregeling voor de boete. Woonwaard stelde daarom dat appellant niet-ontvankelijk was in hoger beroep.
Het hof bevestigde dat appellant ondubbelzinnig berust had in het vonnis, gelet op de correspondentie en gedragingen na het vonnis. Berusting betekent dat appellant niet meer ontvankelijk is in hoger beroep. Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk en veroordeelde hem in de proceskosten van het hoger beroep.