Uitspraak
,
Gerechtshof Amsterdam
Verzoeker diende op 3 juni 2022 een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het gerechtshof Amsterdam in een hoger beroepszaak waarin hij veroordeeld was voor oplichting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen. Het verzoek richtte zich tegen het besluit van het hof om het dossier van een andere strafzaak te voegen en om af te zien van de hernieuwde oproeping van een getuige, wat verzoeker als vooringenomenheid interpreteerde.
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 juli 2022 lichtte verzoeker zijn standpunten toe, waaronder de stelling dat het niet horen van de getuige een schending van het recht op een eerlijk proces vormde. De raadsheren en de advocaat-generaal voerden aan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat wraking niet kan dienen als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet gegrond was omdat de genomen beslissingen niet zo onbegrijpelijk waren dat alleen vooringenomenheid als verklaring overbleef. Ook werd benadrukt dat het gevaar voor de getuige niet per definitie van verzoeker hoeft uit te gaan. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestond en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.