ECLI:NL:GHAMS:2022:3339
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs medeplichtigheid hennepteelt
Betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van stroom en kreeg een ontnemingsvordering opgelegd tot betaling van € 20.539,12. In hoger beroep werd hij veroordeeld voor het aanwezig hebben van 128 hennepplanten en een ontnemingsbedrag van € 12.216,00 opgelegd. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug voor nieuw hoger beroep.
Tijdens het nieuwe hoger beroep stelde de advocaat-generaal dat betrokkene medeplichtig was aan de hennepteelt in de woning die hij verhuurde vanaf september 2014. Betrokkene verklaarde echter dat hij de woning onderverhuurde aan een jeugdvriend en er zelf niet woonde. Hij ontving contante huur zonder huurovereenkomst, controleerde de woning niet en meldde de onderhuur niet aan de woningbouwvereniging.
Getuigenverklaringen bevestigden dat betrokkene elders woonde vanwege psychische problematiek en niet betrokken was bij de hennepteelt. Het hof concludeerde dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor betrokkenheid als (mede)pleger of medeplichtige bij de hennepteelt en wees de ontnemingsvordering af. Het vonnis van het hof vernietigde het eerdere arrest en deed opnieuw recht door de vordering te verwerpen.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij hennepteelt.