In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en verdachte veroordeeld voor schuldwitwassen en het opzettelijk voordeel trekken uit opbrengsten van misdrijven gepleegd door een medeverdachte.
De verdachte ontving gedurende de periode mei 2016 tot december 2018 aanzienlijke geldbedragen en liet verbouwingen aan haar woning uitvoeren die door de medeverdachte werden betaald. Het hof stelde vast dat deze gelden afkomstig waren uit oplichting, valsheid in geschrifte en verduistering, waarvoor de medeverdachte was veroordeeld.
Het hof oordeelde dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld crimineel was verkregen, gelet op haar langdurige en open relatie met de medeverdachte, diens criminele verleden en de omvang van de betalingen. De verdediging werd verworpen.
De rechtbank had verdachte vrijgesproken, maar het hof achtte bewezen dat zij zich schuldig had gemaakt aan schuldwitwassen en voordeel trekken uit misdrijf. Het hof legde een taakstraf van 120 uur en 60 dagen hechtenis op, zonder voorwaardelijke gevangenisstraf, gezien het ontbreken van eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten.
De zaak speelde zich af in de context van COVID-19 beperkingen, waarbij het hof ook oordeelde over de ontvankelijkheid van het OM in hoger beroep ondanks een niet-ondertekende volmacht, wat werd geaccepteerd als verschoonbaar verzuim.