ECLI:NL:GHAMS:2022:646
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie na echtscheiding met gewijzigde draagkracht man
Partijen zijn in 1987 gehuwd en op 14 juli 2021 gescheiden. De vrouw ontving partneralimentatie van €1.500 per maand, vastgesteld door de rechtbank. De man ging in hoger beroep en betwistte de hoogte van de alimentatie, stellende dat zijn draagkracht door de coronacrisis en onzekere bedrijfsvoering aanzienlijk is gedaald.
Het hof onderzocht de behoefte van de vrouw, die gelijk werd gesteld aan haar huwelijksgerelateerde behoefte van circa €1.488 netto per maand, ondanks dat zij bij een dochter inwoont. De man stelde zijn draagkracht vast op basis van gemiddelde winst uit onderneming over 2019 en 2020, rekening houdend met woonlasten en heffingskortingen, en kwam uit op een draagkracht van €88 bruto per maand.
De vrouw betwistte de draagkrachtberekening en stelde dat de man onvoldoende stukken had overgelegd, maar het hof liet de stukken toe en vond geen reden de draagkracht te verwerpen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde de partneralimentatie vast op €88 bruto per maand, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De partneralimentatie is vastgesteld op €88 bruto per maand met ingang van 14 juli 2021.