Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van uitgaven voor extra kleding en beddengoed in verband met de incontinentie van zijn echtgenote over het belastingjaar 2016. De Inspecteur weigerde deze aftrek vanwege het ontbreken van een duidelijke doktersverklaring en wisselende onderbouwing van de kosten.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verklaring van de huisarts onvoldoende concreet was en niet voldeed aan de bewijslast. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof oordeelde dat de door de huisarts afgegeven verklaring, waarin incontinentie/onbedoeld vochtverlies werd bevestigd, voldoende bewijs vormde dat de echtgenote leed aan incontinentie die ten minste een jaar duurde. De wisselende onderbouwing van belanghebbende deed hieraan geen afbreuk. Hierdoor werd de aanslag verminderd tot het door belanghebbende opgegeven belastbare inkomen.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd.