ECLI:NL:GHAMS:2023:1057
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging ontruimingsvordering eigenaar woning in kort geding
In deze zaak staat de vordering tot ontruiming van een woning centraal, die eigendom is van de geïntimeerde. De appellant, die in hoger beroep ging tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, werd verstek verleend. De voorzieningenrechter had de ontruiming toegewezen omdat de appellant de woning zonder recht of titel aan derden ter beschikking had gesteld.
De feiten betreffen een woning die eigendom is van de moeder van appellant en haar ex-echtgenoot. De woning moet worden verkocht na echtscheiding, waarbij onduidelijkheid bestond over de verhuurde staat. De appellant gebruikte de woning voor het huisvesten van personen die bij zijn vennootschappen werkzaam zijn, zonder dat hij daartoe bevoegd was.
Het hof oordeelt dat het spoedeisend belang van de eigenaar aanwezig is en dat de ontruiming terecht is toegewezen. De stelling van appellant dat de zaak te complex is voor kort geding en dat de inschrijving van vennootschappen op het adres met toestemming was, werd niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot ontruiming toe.