Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1keert [appellant] zich tegen de vaststelling onder 2.1 dat de twee parkeerplaatsen van [appellant] grenzen aan “een parkeerplaats c.q. weg van” LECC Vastgoed. Deze omschrijving acht het hof niet heel duidelijk, zodat het hof die zal aanpassen. Maar het bezwaar van [appellant] dat de weg niet een weg van LECC Vastgoed mag worden genoemd, omdat het een openbare weg zou zijn, is ongegrond omdat de weg, al dan niet openbaar - waarover discussie bestaat - , wel degelijk aan LECC Vastgoed toebehoort.
3.Beoordeling
grief 3betoogt [appellant] dat de rechtbank bij de uitleg van de akte van vestiging ten onrechte is voorbijgegaan aan de partijbedoelingen en een onjuiste betekenis heeft toegekend aan de term ‘geprojecteerde’. Ook wijst [appellant] op de eisen van redelijkheid en billijkheid en doet hij een beroep op de plaatselijke gewoonte.
grieven 4 en 5, die zonder zelfstandige motivering zijn gericht tegen de proceskostenveroordeling en het dictum, doel missen.