Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.De eerste aanleg
5.Beoordeling
€ 10.443,-(tarief V, 3 punten)
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond centraal of de bank tijdens het faillissement van een vennootschap de vergoeding op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (UHK) mocht verrekenen met haar openstaande vordering op de failliet. De curator betwistte deze verrekening en vorderde uitbetaling van de vergoeding zonder verrekening.
De feiten betroffen financieringen en rentederivaten die de bank vanaf 2005 aan de vennootschap had verstrekt, welke in 2014 werden beëindigd vanwege wanbetaling. Na faillietverklaring in 2015 resteerde een vordering van circa €700.000,-. De bank berekende een compensatie conform het UHK en bracht deze in mindering op de schuld. De curator accepteerde het aanbod van de bank, maar niet de verrekening.
De rechtbank wees de vorderingen van de curator af en oordeelde dat verrekening was toegestaan op grond van artikel 53 Faillissementswet Pro (Fw). Het hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat het UHK en het aanbod van de bank duidelijk voorzagen in verrekening met de openstaande schuld. Ook stelde het hof dat de vergoeding en de vordering in voldoende verband stonden om verrekening te rechtvaardigen. De curator had de bank geen afwijking van het aanbod zien maken. Het hoger beroep werd daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de curator af, waarbij de bank de UHK-vergoeding mocht verrekenen met haar vordering.