Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
5 december 2016 (verzenddatum 6 december 2016) voor het belastingjaar 2016 een informatiebeschikking genomen in welk verband eiser wordt verzocht contact op te nemen met verweerder voor het maken van een afspraak om de woning te taxeren, en waarin verder wordt medegedeeld dat wanneer eiser niet aan dit verzoek voldoet dit de omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg heeft omdat eiser alsdan niet heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 52a van de Awr. Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 13 januari 2017 waarin eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat een inpandige opname een inbreuk op zijn privacy is. Op 19 januari 2017 heeft de heer [A] , WOZ-taxateur van de gemeente [Z] , telefonisch contact gehad met eiser. Deze heeft wederom gemeld niet aan een inpandige opname te willen meewerken.
Bij brieven van 22 juni 2017, 21 september en 30 november 2017 heeft verweerder in verband met de waardevaststelling voor het thans voorliggend belastingjaar, wederom verzocht de woning inpandig te mogen opnemen. Eiser heeft hierop gesteld dat hij niet weigerachtig is om mee te werken aan een inpandige opname maar dat sprake is van een gebrek aan vertrouwen in het taxatiebureau van verweerder.”
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Eiser heeft over het object [A-straat] 4 gesteld dat (anders dan de woning) een extra grote dakkapel is geplaatst, dit object inpandige verbouwingen heeft ondergaan en is voorzien van een nieuw rieten dak. Over het object [A-straat] 6 heeft eiser onder meer gesteld dat een aanbouw is geplaatst en dat een nieuw rieten dak is aangebracht.
Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van identieke of nagenoeg identieke woningen zodat eiser op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad geen beroep kan doen op toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond faalt derhalve.
5.Beoordeling van het geschil
1 januari 1999 die partijen zijn overeengekomen. Belanghebbende was door deze schikking in de veronderstelling dat er geen geschil zou zijn over de waarde van de woning. Het Hof volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De waarde wordt volgens artikel 18, lid 1 en 2, van de Wet WOZ ieder jaar bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft. Ook overigens zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk geworden op grond waarvan geoordeeld kan worden dat belanghebbende terecht aan de schikking over 1999 dit vertrouwen heeft ontleend. Hierbij merkt het Hof nog op dat het gaat om een schikking die is ontstaan achttien jaren voor de onderhavige WOZ-beschikking over 2017.
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.