Deze zaak betreft een schadestaatprocedure na een eerder arrest waarin El Al aansprakelijk werd gesteld voor een ongeval waarbij een bagagestuk op het hoofd van appellante viel tijdens een vlucht. Het geschil draait om het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van appellante, alsmede de omvang van de schadevergoeding.
Het hof bevestigt dat de klachten van appellante plausibel zijn voor de periode tot en met 2008 en dat er causaal verband bestaat tussen het ongeval en haar uitval. De periode van vergoeding wordt beperkt tot 36 maanden, omdat na 2008 geen consistent klachtenpatroon blijkt. Diverse schadeposten, zoals zwarte verdiensten en kosten voor huishoudelijke hulp, worden deels toegewezen, maar andere kosten zoals verblijf van haar zoon in Israël en openbaar vervoer worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of causaal verband.
De immateriële schadevergoeding wordt vastgesteld op €6.000,-, passend geacht gezien de aard en duur van de klachten. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van intensieve schikkingsonderhandelingen. Zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden afgewezen en het vonnis van de rechtbank Amsterdam wordt bekrachtigd.