ECLI:NL:GHAMS:2023:1617

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
200.323.889/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling draagkracht en behoefte minderjarige

In deze zaak staat de vaststelling van de kinderalimentatie centraal tussen de vader en moeder van een minderjarige geboren in 2018. De vader kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank die hem verplichtte €500 per maand te betalen. De moeder verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen.

Het hof oordeelde dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen over de alimentatie, zodat het verzoek een eerste vaststelling betrof. De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 8 december 2022, de datum van de bestreden beschikking.

De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op €473 per maand, gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens de relatie, inclusief het kindgebonden budget. De draagkracht van de vader werd berekend op €657 en die van de moeder op €213 per maand. De gezamenlijke draagkracht van €870 overschreed de behoefte, waardoor een draagkrachtvergelijking werd toegepast. Dit leidde tot een alimentatieplicht van €357 per maand voor de vader.

Het hof zag geen aanleiding voor een zorgkorting omdat er nog geen omgangsregeling was en de vader nog geen kosten maakte. De beschikking werd vernietigd en het nieuwe bedrag van €357 per maand werd vastgesteld met ingang van 8 december 2022.

Uitkomst: Vader dient vanaf 8 december 2022 €357 per maand kinderalimentatie te betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.323.889/01
zaaknummer rechtbank: C/15/332748 / FA RK 22-4743
beschikking van de meervoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. L. Schellevis te Hoorn,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.M. Wagemaker te Westwoud.
Als belanghebbende is aangemerkt na te noemen minderjarige:
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna te noemen: de rechtbank) van 8 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 2 maart 2023 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 8 december 2022.
2.2
De moeder heeft op 7 april 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de vader van 14 maart 2023, met bijlage.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 25 mei 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
3. De feiten
3.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot medio juli 2022.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2018.
De vader heeft [minderjarige] erkend.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, op dienovereenkomstig verzoek van de moeder, bepaald dat de vader met ingang van 13 september 2022 een bijdrage van € 500,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) aan de moeder dient te betalen. De vader heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat hij een kinderalimentatie dient te voldoen van € 136,- per maand, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaring in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Eerste vaststelling
5.2
Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat met de reactie van de vader bij e-mailbericht van 19 september 2022 geen overeenkomst tot stand is gekomen voor wat betreft de kinderalimentatie. De vader heeft in dat e-mailbericht immers slechts ingestemd met een kinderalimentatie van € 500,- per maand als er duidelijke omgangsafspraken worden gemaakt. Niet tussen partijen in geschil is dat er nadien geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] tot stand is gekomen, zodat de door de vader gestelde voorwaarde niet in vervulling is gegaan. Bovendien heeft de moeder dit zelf ook niet opgevat als een overeenkomst, gelet op haar verzoekschrift in eerste aanleg, waarin om een eerste vaststelling van de kinderalimentatie is verzocht. Het hof gaat er daarom vanuit dat er geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen en dat het in de onderhavige zaak een verzoek tot eerste vaststelling van de kinderalimentatie betreft.
Ingangsdatum
5.3
De vader heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten 13 september 2022. Het hof hanteert als ingangsdatum 8 december 2022, zijnde de datum van de bestreden beschikking. De vader heeft vanaf die datum in ieder geval rekening kunnen houden met een onderhoudsverplichting voor [minderjarige] .
Behoefte [minderjarige]
5.4
Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] . Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van het kind uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vast. Dit netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.
5.5
De vader voert met ingang van 14 april 2020 een eenmanszaak onder de naam ‘ [X] ’. Het hof zal bij de bepaling van de hoogte van de behoefte van [minderjarige] uitgaan van het gemiddelde resultaat van de afgelopen drie jaren. Uit de jaarcijfers blijkt dat de vader in 2020 een resultaat heeft behaald van € 16.860,-, in 2021 € 17.412,- en in 2022 € 38.888,-. Het gemiddelde resultaat over de afgelopen jaren bedraagt daarom € 24.387,-. Het hof is van oordeel dat het gemiddelde resultaat over de jaren 2020 tot en met 2022 een representatiever beeld geeft van hetgeen partijen feitelijk te besteden hadden tijdens hun relatie, dan enkel het resultaat over 2022, zoals de moeder stelt.
In 2020 had de vader daarnaast een inkomen uit loondienst bij [Y] van € 1.408,-. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting de zelfstandigenaftrek en de MKB winstvrijstelling bedraagt zijn NBI € 2.000,- per maand.
De moeder is in loondienst werkzaam op basis van een BBL-opleiding bij [Z] . Uit de jaaropgaven 2022 volgt dat zij in dat jaar een fiscaal loon had van in totaal € 18.199,-. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de moeder op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 1.517,- per maand.
Verder ontvingen partijen een kindgebonden budget van € 102,- per maand.
Uit het voorgaande volgt dat het netto besteedbare gezinsinkomen € 3.619,- per maand bedroeg. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] op het moment van uiteengaan van partijen worden 4 kinderbijslagpunten in aanmerking genomen. De behoefte van [minderjarige] bedraagt dan volgens de behoeftetabel van 2022 € 473,- per maand.
Draagkracht
5.6
Het hof moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.020,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.720,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 1.020,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
5.7
Uit de hiervoor onder 5.5 genoemde resultaten van de eenmanszaak van de vader van de afgelopen drie jaren volgt dat er sprake is van een stijgende lijn. De vader heeft zijn bedrijf vanaf april 2020 uitgebouwd en heeft in 2022 een resultaat behaald van € 38.888,-. Van de vader mag worden verwacht dat hij in 2023 eenzelfde resultaat kan behalen als in 2022. De vader heeft gesteld dat hij de eerste maanden van 2023 minder opdrachten heeft gehad en dat daarom van een gemiddeld resultaat over de jaren 2020 tot en met 2022 moet worden uitgegaan. Tegenover de betwisting door de moeder, heeft de vader dit standpunt echter niet met enige stukken, zoals een prognose of de kwartaalcijfers 2023, onderbouwd. Het hof zal dan ook, evenals de moeder, bij de bepaling van de draagkracht van de vader rekening houden met de winst uit onderneming over 2022, te weten € 38.888,- bruto per jaar. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting de zelfstandigenaftrek en de MKB winstvrijstelling bedraagt zijn NBI in 2022 € 2.798,- per maand. Op grond van de hiervoor onder 5.6 genoemde draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 657,- per maand.
5.8
Uit de hiervoor onder 5.5 genoemde jaaropgaven 2022 volgt dat de moeder in dat jaar een fiscaal loon had van in totaal € 18.199,-. Verder ontvangt de moeder € 4.505,- per jaar aan kindgebonden budget. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de moeder op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI in 2022 € 1.892,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 213,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
5.9
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 870,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [minderjarige] van € 473,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [minderjarige] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 657 : 870 x 473 = € 357,- per maand.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 213 : 870 x 473 = € 116,- per maand.
Zorgkorting
5.1
De vader en [minderjarige] hebben op dit moment geen omgang met elkaar. Wel hebben partijen een kennismakingsgesprek gehad bij het sociaal wijkteam en is er een perspectiefplan opgesteld om toe te werken naar begeleide omgangsmomenten. Op dit moment ziet het hof, anders dan de vader, geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de vader, omdat de vader op korte termijn nog geen (verblijfs)kosten maakt in het kader van een omgangsregeling. Op het moment dat er sprake is van een omgangsregeling en er door de vader in dat kader kosten worden gemaakt, gaat het hof ervan uit dat de advocaten van partijen met elkaar kunnen overleggen over hoe zich dat vertaalt naar de door de vader te betalen kinderalimentatie.
Conclusie
5.11
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en de vader met ingang van 8 december 2022 een kinderalimentatie van € 357,- per maand aan de moeder dient te betalen.
Het hof heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI van partijen, de draagkracht van de vader en de moeder en de verdeling van de kosten van de kinderen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 8 december 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 357,- (DRIEHONDERDZEVENENVIJFTIG EURO) per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 11 juli 2023 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.