ECLI:NL:GHAMS:2023:1617
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling draagkracht en behoefte minderjarige
In deze zaak staat de vaststelling van de kinderalimentatie centraal tussen de vader en moeder van een minderjarige geboren in 2018. De vader kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank die hem verplichtte €500 per maand te betalen. De moeder verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen.
Het hof oordeelde dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen over de alimentatie, zodat het verzoek een eerste vaststelling betrof. De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 8 december 2022, de datum van de bestreden beschikking.
De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op €473 per maand, gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens de relatie, inclusief het kindgebonden budget. De draagkracht van de vader werd berekend op €657 en die van de moeder op €213 per maand. De gezamenlijke draagkracht van €870 overschreed de behoefte, waardoor een draagkrachtvergelijking werd toegepast. Dit leidde tot een alimentatieplicht van €357 per maand voor de vader.
Het hof zag geen aanleiding voor een zorgkorting omdat er nog geen omgangsregeling was en de vader nog geen kosten maakte. De beschikking werd vernietigd en het nieuwe bedrag van €357 per maand werd vastgesteld met ingang van 8 december 2022.
Uitkomst: Vader dient vanaf 8 december 2022 €357 per maand kinderalimentatie te betalen.